AGRO Nieuwsbrief juni 2014

In deze nieuwsbrief:

Bedrijf

  • Wijziging pachtnormen 2014
  • Wijziging inloggen bij RVO
  • Verduurzaming stallen
  • Controle NVWA op gebruik gewasbeschermingsmiddelen
  • Verplichte keuring voor alle spuitapparatuur

Fiscaal

  • Geen zelfstandigenaftrek voor deeltijdboer
  • Herwaardering landbouwgrond toegestaan
  • Gecombineerde opgave/GLB-beleid
  • Berm kan subsidiabele landbouwgrond zijn
  • Actief landbouwer en KvK-inschrijving
  • Overdracht recht op betalingsrechten en referentiewaarde

Mestwetgeving

  • Ontheffingsregeling dierrechten
  • Nieuwe voorwaarden derogatie

Milieu/omgeving

  • Gefaseerde vergunningaanvraag niet zonder risico

Belangrijke data

 

Berm kan subsidiabele landbouwgrond zijn

In maart 2011 heeft de staatssecretaris van Economi­sche Zaken nieuwe beleidsregels gepubliceerd met betrekking tot de steunwaardigheid van landbouw­grond. In de beleidsregels staat dat niet als ‘voor de uitvoering van de landbouw gebruikt of beschikbaar gehouden’ wordt beschouwd een perceel met een hoofdzakelijk verkeerskundige of infrastructurele functie. Daarbij moet gedacht worden aan bermen langs geasfalteerde of verharde doorgaande wegen, langs parkeerterreinen of toegangspaden.

Een landbouwer gaf in 2011 bij zijn Gecombineerde opgave onder meer een aantal percelen langs een weg als blijvend grasland op. Volgens de landbouwer bemestte en maaide hij de percelen en gebruikte hij de oogst als veevoeder. Bij zijn landbouwactiviteiten ondervond hij weinig hinder van de door de staats­secretaris gestelde verkeersfunctie. Hij gaf daarom de percelen op voor de uitbetaling van zijn toeslag­rechten.

Volgens de staatssecretaris ging het om bermen, die niet subsidiabel waren. Het was wel mogelijk land­bouw­activiteiten op deze percelen te verrichten, maar er kon niet worden gezegd dat deze percelen overwe­gend voor landbouwactiviteiten in gebruik zijn.
Volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven had de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd waarom de betreffende percelen volledig moesten worden aangemerkt als bermen. Ter zitting stelde de (gemachtigde van de) staatssecretaris dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen een smalle strook grenzend aan de weg en de breedte van het volledige perceel, zelfs indien het zou gaan om een perceel van 20 meter breed.

Volgens het college kan een perceel niet reeds omdat het direct naast een weg is gelegen en ongeacht de afmeting (breedte) geacht worden in zijn geheel hoofd­zakelijk een verkeerskundige of infrastructurele functie te hebben en dus kennelijk niet voor de uitvoering van de landbouw gebruikt of beschikbaar gehouden te worden. Indien aanwijsbaar is dat ander gebruik plaats­vindt, zal dit volgens het college onder ogen moeten worden gezien.

 

Beoordeling zal daarom afhankelijk van de situatie ter plaatse moeten plaatsvinden. Er moet bekeken wor­den in hoeverre de landbouwactiviteiten noemens­waardige hinder ondervinden van de verkeerskundige en infrastructurele functie. In het algemeen lijkt derge­lijke hinder minder goed voorstelbaar naar mate het perceel breder is en de grond verder van de weg af is gelegen.

Het beroep van de landbouwer werd gegrond ver­klaard. Het college droeg de staatssecretaris op om binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen.

Wijziging pachtnormen 2014

Het Landbouw Economisch Instituut (LEI) heeft de hoogst toelaatbare pachtprijzen berekend, welke op 1 juli 2014 van kracht worden. De pachtnormen zijn gebaseerd op de bedrijfsresultaten van grote en middelgrote akkerbouw- en melkveebedrijven in de periode 2008 tot en met 2012.

Los bouw- en grasland
De regionorm in de belangrijkste akkerbouwgebieden stijgt als gevolg van de goede bedrijfsresultaten in de akkerbouw in 2012. Daarentegen daalt de regionorm in de melkveehouderijgebieden. Het goede jaar 2007 is weggevallen uit de berekening, terwijl het matige bedrijfsresultaat uit 2012 is toegevoegd.

 

Tabel 1:   Nieuwe regionorm, oude regionorm en veranderpercentage voor los bouw- en grasland.

 

Pachtprijsgebied                         Norm      Norm   Verander-

2014        2013   percentage

(€ / ha)    (€ / ha)

Bouwhoek en Hogeland                604          633             -5

Veenkoloniën en Oldambt            575          522            10

Noordelijk weidegebied                652          693             -6

Oostelijk veehouderijgebied          527          573             -8

Centraal veehouderijgebied           497          527             -6

IJsselmeerpolders                          941          786            20

Westelijk Holland                          542          462            17

Waterland en Droogmakerijen       315          373           -16

Hollands/Utrechts weidegebied    708          722             -2

Rivierengebied                              760          823             -8

Zuidwestelijk akkerbouwgebied     638          522            22

Zuidwest-Brabant                          607          583              4

Zuidelijk veehouderijgebied           645          671             -4

Zuid-Limburg                                854          751            14

 

 

Los tuinland

In tabel 2 staan de pachtnormen voor de twee pacht­prijs­gebieden voor los tuinland vermeld. De hoogst toelaatbare pachtprijs voor los tuinland stijgt fors in Westelijk Holland door de goede resultaten in 2012. In dit gebied is het merendeel van de bedrijven bloem­bol­len­bedrijf. In de rest van Nederland is de hoogst toelaatbare pachtprijs voor tuinland licht gedaald. Hier zijn boomkwekerijen in de meerderheid.

 

Tabel 2: Nieuwe regionorm, oude regionorm en veranderpercentage voor los tuinland.

 

Pachtprijsgebied                         Norm      Norm   Verander-

2014        2013   percentage

(€ / ha)    (€ / ha)

Westelijk Holland *)                    1.818       1.347            35

Rest van Nederland                       727          755             -4

 

*) excl. boomkwekerij in het landbouwgebied Boskoop en Rijneveld

 

Agrarische bedrijfsgebouwen

De hoogst toelaatbare pachtprijzen voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn ten opzichte van 2013 met 1,2% gestegen, gelijk aan de gemiddelde bouwkostenindex over 2009-2013.

 

 

Tabel 3:   Hoogst toelaatbare pachtprijs in euro’s per hectare voor bedrijfsgebouwen in 2014, afhankelijk van doelmatigheid gebouwen.

 

Aard bedrijf                                  Akker-     Melk-   Overig

bouw       vee

Doelmatigheid

Nieuw                                               460       1.182       711

Zeer goed                                         362          930       561

Goed                                                276          710       427

Redelijk                                            203          521       314

Matig                                                142          363       219

Slecht                                                 82          208       125

 

Agrarische woningen
De maximale pachtverhoging voor agrarische woningen met pachtovereenkomsten van voor 1 september 2007 bedraagt 4% (inflatie van 2,5% plus 1,5%). Dat is het basishuurverhogingspercentage volgens het huurprijzenbeleid woonruimte. De hoogst toelaatbare pachtprijs van overeenkomsten voor agra­rische woningen die op of na 1 september 2007 zijn aangegaan, wordt bepaald aan de hand van het puntenstelsel. De tabel van het puntenstelsel stijgt overeenkomstig de Uitvoeringswet huurprijzen woon­ruimte met 2,5% (inflatiepercentage over 2013).

 

Wijziging pachtprijsgebieden

Per 1 januari 2014 zijn twee pachtprijsgebieden gewijzigd. Westelijk Holland is uitgebreid met de nieuwe gemeente Hollands Kroon. Deze gemeente is gevormd uit de opgeheven gemeenten Wieringen en Wieringermeer en de gemeenten Anna Paulowna en Niedorp. De opgeheven gemeenten Wieringen en Wieringermeer zijn uit het pachtprijsgebied IJsselmeerpolders gehaald.

 

 Ontheffingsregeling dierrechten

In het Kamerdebat over de derogatie en dierrechten heeft de staatssecretaris van Economische Zaken aangegeven dat ze de zogenaamde POR-regeling (Regeling ontheffing productierechten Meststoffenwet) opnieuw wil openstellen.

 

De regeling biedt ondernemers die de varkens- of pluimveestapel op hun bedrijf uitbreiden, de mogelijk­heid om gedeeltelijk ontheffing te krijgen van het verbod meer dierlijke meststoffen te produceren dan de op het bedrijf rustende dierproductierechten. Dit gebeurt op voorwaarde dat alle dierlijke mest wordt verwerkt die met de betreffende diersoort op het bedrijf wordt geproduceerd.

 

De groei van de varkens- en pluimveestapel mag het nationale fosfaatproductieplafond echter niet in gevaar brengen. Er zal daarom een maximum in de regeling worden opgenomen.

 

De exacte voorwaarden en de invoeringsdatum moeten nog bekend gemaakt worden.

 

Nieuwe voorwaarden derogatie

Op 23 april heeft het Nitraatcomité haar goedkeuring verleend aan het Nederlandse derogatieverzoek. De voorwaarden voor toepassing van derogatie zijn wel aangescherpt.

 

Voorwaarden derogatie

De volledige voorwaarden voor toepassing van derogatie zijn:

  • Het bouwplan moet voor minimaal 80% uit gras­land bestaan.
  • Er mag geen fosfaatkunstmest toegepast worden.
  • Derogatie moet jaarlijks vóór 1 februari aange­vraagd worden, in 2014 vóór 14 juni.
  • Het bemestingsplan moet jaarlijks voor 1 februari opgesteld worden, in 2014 vóór 14 juni.
  • Grondmonsters mogen op 1 februari van het betreffende jaar niet ouder zijn dan vier jaar. In 2014 is het bemonsteren én analyseren van grond nog mogelijk tot en met 13 juni.
  • Jaarlijks moet vóór 1 februari een opgave aanvul­lende gegevens ingediend worden.
  • De verhoogde gebruiksnorm mag alleen worden ingevuld met graasdierenmest.
  • De gebruiksnormen mogen niet worden over­schre­den. Bij een overschrijding vervalt derogatie automatisch.
  • De bepalingen inzake het scheuren van grasland en de teelt van een vanggewas op zand- en löss­gronden moeten nageleefd worden. Bij een over­treding vervalt derogatie automatisch.
  • Het bedrijf verleent desgevraagd medewerking aan monitoringswerkzaamheden.
  • Er wordt een tarief in rekening gebracht, dat afhan­kelijk is van de bedrijfsoppervlakte. Dit tarief is verhoogd naar € 6,28 per hectare.

 

Gedifferentieerde derogatienorm

De Europese Commissie heeft geconstateerd dat de kwaliteit van het grondwater in het zuidelijke zand­ge­bied en het lössgebied nog niet voldoet aan de norm van de Nitraatrichtlijn. In het centrale zandgebied worden teveel overschrijdingen geconstateerd. Daarom is gekozen voor een gedifferentieerde norm. Deze norm bedraagt:

  • 230 kg stikstof uit graasdiermest per hectare per jaar, indien de landbouwgrond is gelegen op zand- of lössgrond in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant of Limburg.
  • 250 kg stikstof uit graasdiermest per hectare per jaar voor de overige landbouwgronden in Nederland.

 

Overgangsregeling 80%-eis

Indien een landbouwer aan de drie onderstaande voorwaarden voldoet, kan in 2014 volstaan worden met minimaal 70% grasland:

  • de landbouwer moet in 2013 gebruik hebben ge­maakt van derogatie, én;
  • de landbouwer beschikte in 2013 over minder dan 80% grasland, én;
  • de landbouwer moet aantonen dat hij vóór 21 maart 2014 financiële verplichtingen is aangegaan voor het telen van een gewas op bouwland, waardoor 80% grasland niet haalbaar is.

 

Overgangsregeling fosfaatkunstmest

Het gebruik van fosfaatkunstmest is op grond van de derogatiebeschikking niet toegestaan. Voor het jaar 2014 wordt een uitzondering gemaakt voor landbou­wers die vóór 1 mei 2014 financiële verplichtingen zijn aangegaan voor de aankoop van fosfaatkunstmest. Landbouwers die gebruik willen maken van deze voor­ziening, moeten dat bij de aanmelding voor derogatie melden. Indien zij de fosfaatkunstmest na 15 mei 2014 willen gebruiken, dienen zij bewijzen te overleggen dat zij hiertoe vóór 1 mei 2014 financiële verplichtingen zijn aangegaan. Landbouwers die vóór 16 mei 2014 fosfaatkunstmest gebruikt hebben, moeten wel kun­nen aantonen dat zij vóór 1 mei 2014 financiële ver­plichtingen zijn aangegaan, maar hoeven deze bewijzen niet te overleggen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).


Gefaseerde vergunningaanvraag niet zonder risico

 Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. In deze wet zijn een aantal vergunningen en ontheffingen samengevoegd tot één omgevingsvergunning. Het is echter mogelijk om een vergunning in fasen aan te vragen. Uit de volgende zaak blijkt dat dit niet geheel zonder risico is.

 

Een veehouder wilde stoppen met zijn rundvee en in plaats daarvan een vleesvarkensstal met ruim 2.000 plaatsen bouwen. Hij vroeg hiervoor een vergunning fase 1 aan, welke in 2011 door de gemeente werd verleend. De gemeente weigerde echter in september 2013 de vergunning fase 2 te verlenen, omdat de aanvraag in strijd was met het nieuwe bestemmings­plan. Dit nieuwe bestemmingsplan was op 31 mei 2012 in werking getreden en na een uitspraak van de Raad van State op 24 april 2013 in rechte komen vast te staan.

 

Volgens het nieuwe bestemmingsplan was op de des­betreffende locatie niet toegestaan om stallen voor intensieve veehouderij te bouwen. Daarnaast zou uit­breiding van het bedrijf teveel geuroverlast veroor­zaken voor een geplande woonwijk.

 

Volgens de Raad van State had de gemeente de ver­gunningaanvraag terecht getoetst aan het nieuwe bestemmingsplan. Weliswaar was er van rechtswege reeds een vergunning fase 1 verleend voor de bouw van de vleesvarkensstal, maar er was nog geen ver­gun­ning fase 2 aangevraagd. Van een onherroepelijke vergunning die het recht gaf om de stal te bouwen, was dan ook geen sprake.

 

Het beroep van de veehouder werd ongegrond verklaard.


Actief landbouwer en KvK-inschrijving

Om in 2015 in aanmerking te komen voor nieuwe betalingsrechten, moet het bedrijf als landbouwbedrijf staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en moet het inschrijvingsnummer bekend zijn bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

 

De activiteiten van een bedrijf worden bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met een SBI-code. De RVO ziet een bedrijf als agrarisch als het ingeschreven staat met een SBI-code die begint met:

  • 011: Teelt van eenjarige gewassen
  • 012: Teelt van meerjarige gewassen
  • 013: Teelt van sierplanten
  • 014: Fokken en houden van dieren
  • 015: Akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren.

 

Het maakt niet uit of de landbouwactiviteit een hoofd- of een nevenactiviteit is.

 

Mogelijk worden er volgens de RVO naast de inschrij­ving bij de Kamer van Koophandel nog aanvullende voorwaarden gesteld aan een actieve landbouwer.

 

De voorwaarde ‘actief landbouwer’ gaat gelden vanaf 2015. Het advies is daarom om de inschrijving bij de KvK en de melding aan de RVO voor het einde van dit jaar geregeld te hebben.

Overdracht recht op betalings­rechten en referentiewaarde

Een bedrijf kan in 2015 betalingsrechten verkrijgen wanneer het in 2013 recht had op een betaling vanuit de bedrijfstoeslag of andere directe inkomenssteun vanuit GLB heeft ontvangen. Het maakt niet uit of het bedrijf door een korting of uitsluiting geen betaling heeft ontvangen. Op deze hoofdregel zijn enkele uit­zonderingen van toepassing. Ook komt er een rege­ling voor starters.

 

Het is mogelijk om het recht op betalingsrechten of de referentiewaarde 2014 van een andere landbouwer over te nemen door middel van een private overeen­komst.

 

Recht op betalingsrechten overdragen

Om het recht op betalingsrechten over te dragen, moe­ten beide partijen actief landbouwer zijn op 15 mei 2015. In het koop- of huurcontract moet een clausule staan, waarin is opgenomen welke rechten en welke gronden worden overgedragen.

 

Referentiewaarde 2014 overdragen

Voor het berekenen van de waarde van de betalings­rechten in 2015, wordt gekeken naar de toeslagrechten die men op 15 mei 2014 in eigendom heeft. Hiermee wordt de waarde van de betalings-rechten in de overgangsperiode (2015 t/m 2018) vastgesteld. Indien na 15 mei 2014 een bedrijf inclusief grond (gedeel­telijk) wordt overgedragen, kunnen betalings­rechten na vaststelling met een private overeenkomst worden overgedragen. Dit is alleen mogelijk als beide partijen bij het aanvragen van de nieuwe betalingsrechten actief landbouwer zijn en de vervreemder van de referentiewaarde recht op betalingsrechten heeft. In het koop- of huurcontract moet een clausule staan waarin is aangegeven wat tussen beide partijen is afgesproken.

 

Insturen private overeenkomst

Het aanvragen van betalingsrechten met een private overeenkomst is mogelijk in de periode 1 april tot en met 15 mei 2015.

 

Automatische overdracht bij bedrijfsoverdrachten

In de volgende situaties gaan het recht op betalings­rechten en de referentiewaarde automatisch over van het oude naar het nieuwe bedrijf (geen private overeen­komst noodzakelijk):

  • Bij een naamswijziging, bij voorbeeld bij toetreding in een maatschap.
  • Bij een wijziging van de juridische status, bij voorbeeld als een maatschap van vader en zoon wordt ontbonden en de zoon het bedrijf voortzet.
  • Bij een fusie van twee of meer bedrijven, waarbij in het nieuwe bedrijf minimaal één van de oorspron­kelijke bedrijfsvoerders actief is.
  • Bij een splitsing van een bedrijf met recht op beta­lingsrechten, waarbij in minimaal één nieuw ont­staan bedrijf een oorspronkelijke bedrijfsvoerder actief is. Alle bedrijven die ontstaan uit de splitsing, krijgen recht op betalingsrechten en de (te verde­len) referentiewaarde.
  • Bij een vererving van een geheel of gedeeltelijk bedrijf dat recht heeft op betalingsrechten. De erfgenaam krijgt het recht op betalingsrechten en de referentiewaarde.

 

In alle andere gevallen van bedrijfsoverdrachten waar­bij het recht op betalingsrechten en/of de referentie­waarde overgedragen moet worden, is een private overeenkomst nodig.

 

Wijziging inloggen bij RVO

Vanaf 1 juli kan er niet meer met de huidige inlog­codes (gebruikerscode en wachtwoord) ingelogd worden bij de RVO. Ondernemers kunnen dan alleen nog inloggen met eHerkenning. eHerkenning is een digitale toegangssleutel die bij meerdere organisaties gebruikt kan worden.

 

Om eHerkenning te kunnen gebruiken, moet de onderne­mer of organisatie staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het aanschaffen en het gebruik van een eHerkenningsmiddel is niet gratis. Deze kosten verschil­len per eHerkenningsmiddel en per betrouwbaarheids­niveau. Daarnaast kunnen aanbieders eenmalige en doorlopende kosten berekenen.


Verduurzaming stallen

In 2012 hebben diverse organisaties in het samen­werkingsverband van de Uitvoeringsagenda Duur­zame Veehouderij (UDV)1 afgesproken gezamenlijk invulling te geven aan de ambitie dat vanaf 2015 alle nieuw te bouwen stallen integraal duurzaam zijn. Dit heeft geleid tot een nieuwe (tussen)vorm van duur­zame stallen: de Plusstal.

 

Plusstal

Plusstallen scoren op de belangrijkste aspecten van duurzaamheid (dierenwelzijn, milieu, energie, ammo­niak) boven het huidige wettelijke niveau, maar lager dan bij een integraal duurzame stal. Hiervoor moet de Plusstal een minimaal aantal punten halen op de Maat­lat Duurzame Veehouderij (MDV). De stal komt echter niet in aanmerking voor een fiscale tegemoet­koming.

 

Een stal wordt als Plusstal aangemerkt, indien deze voldoet aan 60% van de totaal vereiste punten voor fiscale tegemoetkoming én per duurzaamheidthema minstens 40% van het minimaal aantal punten voor de fiscale tegemoetkoming (zgn. 40/60 norm).

 

Stimuleringspakket

Om de ambitie van de Plusstallen te realiseren, is een stimuleringspakket afgesproken. Onderdelen hiervan zijn onder meer:

  • Bewustwording en scholing van erfbetreders en adviseurs om primaire ondernemers bewust te maken van het belang van verduurzaming bij nieuw- of verbouw van stallen.
  • Duurzaamheidplan: alle ondernemers die een nieuwe stal bouwen, maken dit onderdeel van het bedrijfsplan. Daarmee geven ze aan wat ze doen om te verduurzamen.
  • De Rabobank stimuleert bedrijfsfinancieringen die voldoen aan het niveau Plusstallen.
  • Het Ministerie van EZ stelt het niveau van de Plusstallen als minimumvoorwaarde bij nieuwbouw in de regeling Garantstelling Landbouw.

 

Het bouwen van een Plusstal is geen verplichting.

 

1 Deelnemers aan dit samenwerkingsverband zijn: de Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV), de Dierenbescherming (DB), de Groene Kennis Coöperatie (GKC), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO), het Ministerie van Economische Zaken (EZ), de stichting Natuur & Milieu (N&M), de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO), de Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie (Nevedi) en de Rabobank Nederland.

 

 Geen zelfstandigenaftrek voor deeltijdboer

Een kalvermester hield in 2008 en 2009 ongeveer 125 rosékalveren. Het bedrijf bestond verder uit 7,5 ha grond, waarop hij onder meer snijmaïs verbouwde. Daarnaast was hij in loondienst werkzaam bij een bouwbedrijf voor 1.700 uur per jaar. Bij de aangiften inkomstenbelasting voor beide jaren paste hij de zelfstandigenaftrek toe. De belastinginspecteur weigerde dit, omdat er niet voldaan zou zijn aan het urencriterium. Het urencriterium houdt in dat er mini­maal 1.225 uren aan werkzaamheden voor de onder­neming moeten worden gemaakt en dat er meer tijd aan de onderneming dan aan het verrichten van arbeid in dienstbetrekking wordt besteed.

 

In het kader van de bezwaarprocedure maakte de kalvermester een schatting van de door hem in 2008 en 2009 aan de onderneming bestede uren. Met een uitgebreide urenspecificatie kwam hij voor beide jaren op ruim 2.000 uur.

 

Volgens het Gerechtshof leidde de omstandigheid dat de urenspecificatie achteraf was opgesteld en geba­seerd was op schattingen er niet zonder meer toe dat die specificatie niet bruikbaar zou zijn als bewijs­middel. Niettemin was de kalvermester niet geslaagd in zijn bewijslast. Volgens het hof was niet aanneme­lijk dat de kalvermester aan het ‘grotendeelscriterium’ had voldaan, omdat hij een voltijdbaan had, bepaalde werkzaamheden uitbesteedde aan loonwerkers en zijn vrouw ook meewerkte in de onderneming.

 

Hieruit blijkt eens te meer het belang van een goede urenspecificatie. Deze mag achteraf opgesteld zijn, maar dit heeft niet de voorkeur. Alleen de ‘eigen uren’ mogen hierop vermeld worden.

 

 Controle NVWA op gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Waren­autoriteit (NVWA) controleren de komende maanden het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Een deel van deze controles wordt vanuit de lucht uitge­voerd.

 

Tijdens deze zogenoemde milieuvluchten controleren inspecteurs of agrariërs gewasbeschermingsmiddelen op de juiste manier toepassen. Wanneer onvoldoende afstand wordt gehouden van waterranden, komen scha­delijke stoffen in sloten en beken rondom de landerijen terecht. Dit kan ernstige gevolgen hebben voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en daarmee de flora en fauna. Bovendien levert verkeerd gebruik indirect risico op voor de voedselveiligheid.

 

Naast controleurs in de lucht zijn er de komende maanden ook grondteams actief. De grondteams kunnen een monster uit de spuittank nemen om na te gaan of het juiste middel wordt gebruikt. Verder onder­zoeken zij of de verplichte driftarme spuittech­niek wordt toegepast om het verwaaien van spuitvloeistof te beperken.

 

Overtredingen kunnen zowel bestraft worden met een boete als een (randvoorwaarden-)korting op aange­vraagde subsidies (bedrijfstoeslag, SNL-subsidie etc.).

 

 Verplichte keuring voor alle spuitapparatuur

Op dit moment bestaat al de verplichting om veldspui­ten en boomgaardspuiten eens in de drie jaar te laten keuren. Deze keuring wordt uitgebreid naar alle pro­fes­sioneel gebruikte apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de EU-richtlijn ‘Duurzaam gebruik gewasbeschermings­mid­delen’.

 

Invoering verplichting

De verplichting is feitelijk al op 1 januari 2013 inge­gaan, maar er wordt gebruik gemaakt van een over­gangsregeling om de introductie soepel te laten ver­lopen. Daarbij geldt dat de oudste apparatuur eerst gekeurd moeten worden en later de jongere appara­tuur. De regeling ziet er als volgt uit:

  • apparatuur van voor 1996 of waarvan het bouw­jaar niet bekend is, moet voor 31 december 2014 gekeurd zijn;
  • apparatuur van bouwjaar 1996 t/m 2000 moet voor 31 december 2015 gekeurd zijn;
  • apparatuur van bouwjaar 2001 t/m 25 november 2013 moet voor 26 november 2016 gekeurd zijn;
  • nieuwe apparatuur moet binnen drie jaar na factuurdatum zijn gekeurd.

 

Uitbreiding verplichting

De keuringsverplichting wordt uitgebreid met onder meer de volgende machines:

  • motorvatspuiten;
  • grondontsmettingsapparatuur;
  • rijen- of strokenspuiten (incl. op zaai- of poot­machines gebouwde apparatuur) met een werkbreedte van meer dan 3 meter;
  • doseerapparatuur waarbij gewasbeschermings­middelen worden meegegeven aan gietwater;
  • laagvolume spuitapparatuur.

 

Vrijgestelde apparatuur

De volgende apparatuur is vrijgesteld:

  • rijen- of strokenspuiten met een maximale werkbreedte van 3 meter;
  • handgedragen apparatuur;
  • zwavelverdampers;
  • zaaizaadbehandelingsapparatuur;
  • granulaatstrooiers en poederapparatuur;
  • onkruidstrijkers;
  • dompelapparatuur;
  • staminjectie-apparatuur en smartfresh toepas­singen.

 

Uitvoering keuring

De keuring moet worden uitgevoerd door een bedrijf dat hiervoor erkend is door de Stichting Kwaliteits­eisen Landbouwtechniek (SKL).


Herwaardering landbouwgrond toegestaan

Regelmatig steken er geruchten de kop op dat de landbouwvrijstelling wordt afgeschaft. Afschaffing zou betekenen dat het verschil tussen de actuele waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) en de boekwaarde belast is. Om hierop te anticiperen hebben veel ondernemers besloten de landbouwgrond te gaan herwaarderen op basis van een stelselwijziging. Volgens de Belastingdienst is een stelselwijziging echter strijdig met goed koopmans­gebruik en daarom niet toegestaan. Gezien het aantal belastingplichtigen waar deze materie speelt, is er afgesproken een aantal proefprocedures te voeren.

 

In een proefprocedure heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat een stelselwijziging niet is toegestaan als hiermee incidenteel fiscaal voordeel wordt beoogd. In dit geval vindt de stelselwijziging echter plaats om fiscaal nadeel te voorkomen. Goed koopmansgebruik verzet zich er dan volgens het hof niet tegen om de landbouwgronden op de WEVAB-waarde te herwaar­deren.

 

Deze uitspraak heeft op dit moment nog weinig gevol­gen voor de praktijk, omdat eerst de Hoge Raad een definitieve uitspraak zal moeten doen.

 

Belangrijk is wel het verschil met herwaardering op basis van een bijzondere omstandigheid. Veel her­waarderingen hebben plaats gevonden vanwege een bijzondere omstandigheid, bijvoorbeeld aanpassing winstverdeling of de toetreding van een nieuwe ven­noot tot een maatschap of firma. Deze herwaarde­ringen zijn door Belastingdienst goedgekeurd en de proefprocedures hebben voor deze situaties geen gevolgen.

Belangrijke data

T/m 13 juni 2014

Aanmelding derogatie 2014

 

13 juni 2014

Uiterste datum uitslag grondmonster (derogatie) bekend

 

13 juni 2014

Uiterste datum bemestingsplan gereed

 

 

 

Met onze Agro-Nieuwsbrief willen wij u op de hoogte houden van de ontwikkelingen die mogelijk uw bedrijf raken. Wij hebben aan de samenstelling de grootst mogelijke zorg besteed.

Wij aanvaarden echter geen aansprakelijkheid voor niet (meer) juiste informatie. Wilt u op basis van deze informatie actie ondernemen, dan is nader advies noodzakelijk. Voor een der­gelijk advies kunt u een afspraak met ons maken.

 

 


Copyright 2021 Harke Administratie Staphorst | Privacy- en Cookie Verklaring